Improptu op Poperinge

 

Stedeke van schoon verlangen, verstopt
onder zwarte lei en rode schalies, gelijk toegedekt
een kindeke onder zachte sprei met kant bewerkt
soezend als vettige room opgeklopt

Met buidel op de rug geslaan, de kop tussen de schouders
mompelend: ‘Ha, de economie trekt aan’ en dan weer
borst vooruit, immer fier, nooit strompelend
dankbaar voor wat gekregen en nooit om een gebed verlegen

Gij laat u nimmer temmen, Poperinge mijn
maar schoort schild en degen, roept vol zielepijn
tot oproer en moord voor al wie u ooit belaagde zoals
‘t perfide Ieper waar men nooit meer van heeft ‘hoord

Op de kaart gelijk een zotskap maar gij weet
hoe gij uitverkoren zijt met Uw burgemeester
Uw industrieterrein, Uw aard en Uw eed
aan de hop die het stad omgroeit gelijk Gods heester

(hier nog iets over helleketels, gotische zalen, familieruzies in voren, boter die smaakt naar WO I en papavers, populieren die voor auto’s springen, verdrinken in blauwe schooluniformen, volle zakdoeken, kussen die ruiken naar stiekeme sigaretten, woensdagmiddagen die bleven duren, woonwijken die de horizon omsingelen, de slordige interpunctie van altijd-altijd-hetzelfde-altijd-het-zelfde carillon en alles te vroeg en te snel, zoals de dood, tiens)

 

Thomas Blondeau

 
    logo dichters des vaderlands