Menen

Mijn Menen blijft een stad van vroeger.
Het Belfort was het uur waarop je thuis moest zijn.
Wij kropen in de spleten rond de grote markt
uit het zicht van de grote kindermoordenaar.
Op een mobilette van 't oud ijzer reed ik in schoonheid
langs haar verroeste straten. Ze schreeuwden
hun kankers uit - als je nog één keer in de buurt
van mijn vrouw komt, ram ik je kop eraf - en ik slikte gulzig
alsof ze één grote, natte kut was.

Menen is geen deftige madam, zij spreidt haar benen van de Brugge-
tot de Rijselstraat en vraagt meteen of je wilt neuken.
Versteld van zoveel gore taal schopt zij kwaad haar hoeren
uit de Koningsstraat. Dan zaait zij uit naar de Barakken,
le paradis pour les français, en wordt zij ongeneeslijk ziek.

Hier en daar zingt nog een zot met kaduke wandelgang dat
hij zot wordt en l'amour wil.
Er waren nog wat schimmetjes rond van 'De bende van Menen'.
Ik weet niet of de toeristische dienst daar folders van uitdeelt
want Menen zou weer aan de beterhand zijn.
Vraag maar na bij 'Bjorn gevelrenovaties'.

Toch blijft zij de Bakermat van den Aldi.



Arno Bontjager

 
    logo dichters des vaderlands