Bijna kapot geschreven brief aan Elma van Haren    

                                                                                                       Richard Steegmans

 

Als ik de vurige stad op een pinkstermaandag
in me opneem, ga ik prozaïsch op haar inspelen,
mijn beenspieren opspannen aan haar citadel,
aanhalen dat de loopwedstrijd uit mijn jeugd hier
al lang buiten de adem van mijn herinnering ligt.

Een Nederlandse dichteres is niet ver van deze stad
komen wonen. Zij wil haar in een volgende bundel
over je uitstorten, van op een sprekend terras zich
onderdompelen in de artiestenbuurt, het Maaswater
verbergen in uitgebluste bekkens van kolen en staal.

Dichter bij haar woonplaats, op de elders in het land
soms aangevochten taalgrens met landschapswissel,
geven we onze ogen de oudste stad

                                           om in de eerste avonduren
te vervagen, buiten aan een herberg bij het begijnhof,
waar een echtpaar uit een blauwe bestelwagen stapt,
Nederlandse nummerplaten achterlaat en binnengaat.

Ik kan je geen foto tonen en durf haar niet aanspreken,
Maar moet zij hier lezen dat zij er toen niet is geweest.

 

uit de bundel Uitgeslagen zomers, uitgeverij Perdu, Amsterdam, 2002.

 
    logo dichters des vaderlands