LIED VAN TAMERA
EEN DEMERLIED
Hoe traagzaam en volhardend het water,
uit één punt ontsprongen, niet ver van
Tongeren, de aarde schuurde tot weerszijden
plooien en breder en nog. Tot alleen met
een brug elke oeverganger de overkant kon
bereiken. Tamera: heilig, donker water.
Aan haar oevers klonk een lokkend lied
voor nomaden op weg naar de beste plaats
om hun potten te bakken. Kinderen gooiden
steentjes in het water om de diepte
en de verte te peilen. Hun speelterrein. Ze
lieten blaadjes drijven. Een eerste boot.
Schipper wil je varen met laken, bier
en terug met pekelharing? Schipper,
hier bij de Hofstadt asjeblieft.
Met een glas bier op een terrasje
in de diepte kijken en als de nacht valt
zingen in elkanders armen
en nog niet naar huis.
Zou de rivier die al jarenlang ondergronds
de stad doorkruist zich haar oude baan
herinneren als zij weer wordt blootgelegd?
En het verhaal van de lucht en de bomen
die het water zoeken voor hun eerste,
langgeleden, gespiegeld gezicht?
Soms schuren nieuwe ervaringen als grof
zand met kiezelsteentjes tegen de flanken
van een beeld, een woord, een aarden wand.
Herinneringen worden met nieuwe strepen
gekleurd. Zoals fossielen die het water
allang vergeten zijn.
Zoals jij en ik meanderend, vliegen meeuwen
laag over de pleinen van de stad. Zij hebben
de Demer nooit gekend. Schreeuwen hun lied
voor de ondergrondse rivier, wiens geur en
ritme zij proevend voelen in hun vleugels.
Lied van Tamera. Een Demerlied.
Ina Stabergh
(stadsdichter Diest 2006-2008)
|