Hondsdamme

1.
De zee zwelt en zet zich voort
tot het zilt aan de lippen komt
en het kantjeboord de werken aanspoort:
de graven slaan de handen in elkaar
tot een dijk van een verdrag
en duizend dijkdelvers in een dag
en een nacht gelijk geleverd.

2.
Met man en macht trachten zij
de waterkracht te dimmen maar een schim,
doemt op in het duister, roemt de duivel
en speelt op een heuvel de huilebalk:
een howlin’ wolf die de noten kraakt,
de werkers stalkt en de tonen zet
voor een voltijdse angst.

3.
Want de wind ontstaat soms door een wonder,
luid gegiechel, of een enkel dier dat met gegil
het drukverschil maakt en het weer tot horror aanport:
de storm slaat een bres in de vorm 
die de arbeiders van inzinking behoedt
en het kost tranen, zweet en bloed
om de vagant die hier rondhangt te vangen.
 
4.
De waternekker jent en jaagt op,
is de plaag van de streek die de poten strekt
en de druk versterkt op het plaatselijk volk
dat net niet onderloopt en op een mirakel hoopt,
een kruis dat redding brengt in de bedding
of een steen van het stadhuis die het waterpeil
tot op de millimeter limiteert.

5.
Er is een plan. Des Noods.
Het broedt in de hersenpan van een held,
één uit de duizend, een man van fratsen
en strapatsen. Hij zal het rood gespuis
met een stok niet slaan
maar uit zijn kot lokken naar de kerk
waar een kom Heerlijk vlees wacht met een gift,
een gif van hogerhand, 
en het opschrokken tot schokken leidt: een lijk,
later een zwartgeblakerd wezen op het wapen.

6.
Hup,
het gat gaat dicht met het gedrocht
dat ’s nachts als puppy leefde in de krochten
van het dorp en ’s ochtends aanviel
en in de kuiten van de voorspoed beet.
Het hondenlichaam is een stop,
een hondsdam opgeworpen aan de honte van
de inham ontstaan na het ontij.

7.
De wijn stroomt binnen,
op de vreugde staat geen tonnenmaat.
Uit de verte strijkt de rijkdom neer
nu de zee beheerst haar eieren legt
binnen de perken en rust ademt
in de naden van het vlakke land,
nu haar golven de gewelven
niet meer schaden en elke lading
haar bestemming vindt:
ieder z’n goesting en z’n gading.

8.
Na de overvloed: de vloek van Cassandra:
de verzanding van het sincfal, het verval,
de dropping in het drooggelegde land.
Adieu varende luyden :
de zee verschuift naar Anna ter Muiden
en wat baat een Verse Vaart,
het is alleen een Verloren Einde waard.

9.
Er verschijnt een ster met zeven stralen,
de stekels van een zonnekoning,
vesting en vestiging voor garnizoenen,
aanleiding voor twisten en wissels
van legioenen, belegering, leegloop 
en de sloop van de kerk
(de amputatie van de gratie).

10.
Hier zijn uitgewist een dichter en een volksheld
en de Korenmarkt door het versluisde kanaal
van een verguisde keizer maar wie goed kijkt
ziet tussen het lis en de listen van de vissers
de schim van een slapende hond, die misschien
weer wakker wordt in een ander klimaat
en huilend opstaat in een natte straat.

 

Frederik Lucien De Laere
uit: De martelgang, PoëzieCentrum, 2006

 

 
    logo dichters des vaderlands