Na het onweer
Van een domende koe het bruinste kastanje,
het hete roodbruin.
Bok en geit slepen balzak en uier
wellustig voort over het broeiende gras.
Grauw blauwgrauw vaart het onweer weg.
Zon schiet door een wak in de wolken
spat uiteen op witte muren, op rode daken;
hoeves gloeien in het verre groen,
tussen pukkels gulzig grazend vee.
Flikkering van wilgenzilver,
warme wind legt zijn zweep over het land,
jaagt schaduwgolven door de kruinen
de hoge weidsheid in.
Geweld voor mij, wandelaar,
geschenk, bedwelming,
waaien gaan, wind worden.
Dit moet juni zijn in Bachte-Maria-Leerne.
Louis Jacobs
|